Hoe gaat de motoropleiding in zijn werk?

De eerste les ga je bij de instructeur achterop en rij je naar een afgelegen terrein eenmaal aangekomen op het terrein worden alle bedieningsorganen uitgelegd, het opstappen en afstappen, starten en af- zetten, spiegels stellen etc. Vervolgens word begonnen met het wegrijden, stoppen, wegrijden naar twee schakelen en weer stoppen, stapsgewijs steeds een stukje verder, tot dat we zelfstandig door het verkeer heen kunnen komen.

Nadat we de basis principes van het motorrijden een beetje onder de knie hebben en zelfstandig naar het afgesloten terrein kunnen rijden (meestal is dit binnen drie lessen) gaan we ons in het begin voornamelijk bezig houden met de voetuigbeheersing (AVB). In totaal zijn er twaalf oefeningen die zijn ingedeeld in vier clusters: a. lopen met de motor en gebruik van de standaard (één oefening deze is verplicht); b. verrichtingen bij lage snelheid (vijf oefeningen, waarvan één verplicht en één naar keuze van de examinator); c. verrichtingen bij hogere snelheid (drie oefeningen, waarvan één verplicht en één naar keuze van de examinator); d. remoefeningen (drie oefeningen, waarvan één verplicht en één naar keuze van de examinator). Naast de vier verplichte oefeningen zal de examinator uit de overige acht er drie kiezen.

Eenmaal geslaagd voor het examen AVB gaan we ons bezighouden de verkeersdeelneming (AVD). Hierin word er o.a. gewerkt aan verkeersinzicht, kijktechniek, plaats op de weg, snelheid tijdens het rijden op de openbare wegen. Het praktijkexamen verkeersdeelneming voor de motor duurt in totaal 55 minuten.